PDA

View Full Version : Jehovah Ondanks Beproevingen Getrouw Blijven (OT)



Syntelia
6 april 2005, 19:10
In de eerste eeuw schreef de apostel Paulus aan zijn broeder Timotheϋs: “.. allen die met godvruchtige toewijding in vereniging met Christus Jezus wensen te leven, zullen ook vervolgd worden.” (2 Ti. 3: 12).

Deze gedachte wordt veelal van toepassing gebracht op vervolging die we van buiten de christelijke gemeente moeten verwachten en verduren, van de zogenoemde boze buitenwereld.

Net zoals Paulus dit meemaakte komt de vervolging maar al te vaak uit de eigen gelederen voort. Soms komt het uit een hoek vanwaar je het niet verwacht; uit de familie of gezinshoek, van een goede vriend, een broeder of zuster, of misschien wel van de houding of een opmerking van een ouderling of mogelijk zelfs vanwege de uitvoering van een organisatorische regeling van het Genootschap.

Verdrukking van de zijde van het Genootschap? Jazeker, denk hierbij maar eens aan de gevolgen van het jarenlange gehuldigde standpunt inzake kindermisbruik onder Gods volk ( de twee getuigen regeling ). Hierdoor zijn duizenden jonge aanbidders van God voor het leven getraumatiseerd, omdat zij een mens onwaardige behandeling moesten ondergaan. In plaats van als slachtoffers behandelt te worden, zijn ze als kwaadsprekers en tegenstanders verdrukt.

Hetzelfde geldt voor onze broeders en zusters die openlijk hun zorg hebben uitgesproken over de vrijwillige verbintenis die leden van het Besturende Lichaam van JG hebben aangeknoopt als NGO, met de VN gedurende de periode 1991 – 2001. Toen zij opheldering vroegen van deze omstreden en bovenal onschriftuurlijke daad van het Genootschap, ondervonden ze felle tegenstand en verdrukking. Deze medeaanbidders zijn ten onrechte voor ‘getekend gehouden’ of zelfs in veel gevallen als ‘afvalligen’ uit de broederschap verwijderd. Ja, juist in deze tijd lijkt dit de meest ernstige en reële vorm van verdrukking te zijn die uit de eigen gelederen komt.

Wanneer je hier niet op bent voorbereidt, kan de klap des te harder aankomen. Misschien heb je dit al eens meegemaakt, of mogelijk bevind je momenteel in deze geloofsbeproevende situatie.

Denk dan eens aan Hanna, een getrouwe zuster die leefde in de tijd dat Gods verbondsvolk zich in het beloofde land Kanaän bevond. Zij was één van de twee vrouwen waarmee Elkana was getrouwd. Peninna was de naam van de andere vrouw die met Elkana leefde te Rama in het bergland Efraïm. Aanvankelijk was Hanna onvruchtbaar, echter na een beproevingsvolle periode schonk zij met Jehovah’s hulp, uiteindelijk het leven aan een zoon, Samuël genaamd.

In haar dankgebed voor dit grootse wonder zegt ze; “Mijn hart heeft werkelijk uitbundige vreugde in Jehovah, Mijn hoorn is werkelijk verhoogd in Jehovah. Mijn mond heeft zich wijd opengedaan tegen mijn vijanden, Want ik verheug mij werkelijk in de redding afkomstig van U.” (1 Sa. 2:1)

Wie of wat waren Hanna’s vijanden, waartegen zij haar mond wijd had opengedaan?

Onvruchtbaarheid was in die tijd een schande, en dit drukte zwaar op de schouders van Hanna. Hierdoor kon zowel de naam als het erfdeel verloren gaan onder het volk Israël. Hanna moet zich hierdoor als een minderwaardige en nutteloze vrouw hebben gevoeld. Deze vrruchtbaarheid was een grote vijand voor haar. Helaas was dit niet de enige.

Peninna, haar medevrouw kreeg echter wel zonen en dochters, wat Hanna ongetwijfeld pijn in haar hart moet hebben bezorgd. Maar of dit nog niet erg genoeg was, werd Hanna door Peninna geplaagd, ja getreiterd met haar handicap waar ze overigens zelf niets aan kon doen. Dit waren niet slechts ongepaste plagerijen, maar het werd opzettelijk en doelbewust gedaan. Het verslag zegt dat Peninna “...haar mededingster [Hanna) tergde. . .om haar van streek te brengen...”. (1 Sam. 1: 6)

Merk ook eens op welk moment Peninna uitkoos om Hanna van streek te brengen. Het verslag vertelt ons: “En zo placht zij [Peninna] jaar op jaar te doen, zo dikwijls als zij opging naar het huis van Jehovah. Zo tergde zij[Peninna]haar aItijd, zodat zij dan weende en niet kon eten.” (vs.7)

Heb je het opgemerkt dat ze het bij de uitoefening van de gezinsaanbidding deed? Het is toch nauwelijks voor te stellen dat juist dàt moment door Peninna werd gebruikt om Hanna een ‘rotgevoel’ te bezorgen, namelijk bij haar aanbidding van Jehovah. Kennelijk ging Elkana met zijn gehele gezin jaarlijks te Silo aanbidden en slachtoffers brengen, alhoewel dit van vrouwelijke aanbidders niet werd vereist. Het verslag luidde immers: “..jaar op jaar.., zo dikwijls. Zo tergde zij haar altijd,...”.

Sta hier eens even bij stil; Jaar in jaar uit door een gezinslid (en medeaanbidder) getergd worden ten tijde dat je de aanbidding van Jehovah beoefent. Je kan hierdoor onwillekeurig de aanbidding van God in verband brengen met emotionele harte pijn, met verdriet. De plaats van aanbidding ( koninkrijkszaal, of kringhal ) kun je dan gemakkelijk verbinden met je onprettig voelen. Voel je de ogen van zusters, ouderlingen in de rug prikken? Of het gefluister van je naam bij het zoeken van je plaats.Het is zelfs te begrijpen dat je er een hekel aan kan krijgen; wegblijven van de pijn. Voor hoeveel van onze misbruikte geloofsgenoten zal deze pijn en gevoelens wekelijks naar boven komen?

Peninna betoonde zich werkelijk een vijand van haar. Begrijpelijkerwijs kon Hanna geen hap eten door de keel krijgen.

-2

Dit jaar, het jaar waar Samuël zijn verslag begint te vertellen, heeft Hanna het extra zwaar. Naast de reeds besproken verdrukking komt er nog meer bij en wel van de zijde van haar man. Vers 8 vertelt: “Voorts zei Elkana, haar man, tot haar: “Hanna, waarom weent gij, en waarom eet gij niet, en waarom is uw hart droevig gestemd?”” Kennelijk leed Hanna in stilte; de ‘waarom’ vragen van Elkana geven te kennen dat hij niet op de hoogte moet zijn geweest van het treiter gedrag van zijn andere vrouw. Indien hij hiervan op de hoogte was geweest, had hij het niet hoeven vragen, en dan had hij redelijkerwijze het nodige gedaan om dit gedrag te stoppen.

Daarna maakt Elkana een dodelijke fout en vraagt: “Ben ik niet beter dan tien zonen?” (vs. 8 ) In eerste instantie had hij de ‘waarom’ vragen gesteld, maar wacht het antwoord niet af. Dit was wel de gelegenheid geweest om achter het jaarlijks terugkerende treitergedrag van Peninna te komen. Vervolgens maakt hij de vaak voorkomende fout om het verdriet van Hanna zelf in te vullen, door te denken dat slechts de kinderloosheid van Hanna het probleem was. Elkana schat de omvang van het probleem totaal verkeerd in. Ja, hij bagatelliseerde het probleem en betoonde zich verre van fijngevoeligheid voor Hanna’s gevoelens door te vragen: “Ben ik niet beter dan tien zonen?”.

Overigens zal Elkana dit niet opzettelijk hebben gedaan, omdat het verslag onthult: “Niettemin had hij Hànna lief,..” (vs. 5) Hij is zich absoluut niet bewust van de destructieve uitwerking ervan. Vers 10 vertelt hierover: “En zij was bitter van ziel,…en weende toen zeer”

Ten einde raad gaat Hanna van tafel en werpt ze zich totaal overstuur neer om haar hart voor Jehovah uit te storten. Maar dan dient zich wederom nog een andere vorm van verdrukking aan. Het is Gods dienaar, priester Eli die tijdens zijn tempeldienst een pijnlijke inschattingsfout maakt. Het verslag merkt hierover het volgende op: “En het gebeurde dat terwijl zij [Hanna] uitvoerig voor het aangezicht van Jehovah bad, Eli op haar mond lette. Wat Hanna betreft, zij sprak in haar hart; slechts haar lippen trilden, en haar stem werd niet gehoord. Maar Eli hield haar voor dronken. Daarom zei Eli tot haar: “Hoe lang zult gij u nog als een beschonkene gedragen? Doe uw wijn van u weg.’”’ (vs. 12-14)

Daar Eli bij de deurpost van de tempel zat, zag hij Hanna met een betraand en somber gelaat binnengaan. Hij zag haar trillende lippen maar hoorde haar stem niet, misschien hooguit wat ondefinieerbare geluiden, daar het verslag zegt toen zij tot Jehovah ging bidden, “en [Hanna] weende toen zeer” (vs. 10) Louter afgaan op deze uiterlijke kenmerken, zou de conclusie van Eli kunnen rechtvaardigen. Maar als zo vaak in het leven zijn de dingen lang niet altijd zo, als ze op het eerste gezicht toeschijnen.

Denk je eens in hoe jij je zou voelen wanneer een ouderling jouw gedrag of zienswijze ten onrechte veroordeelt, daar hij onvoldoende met de feiten of de situatie op de hoogte is ( niet op de hoogte [willen] zijn van de geestelijke ontrouw van de zijde van het Genootschap). Dit zal werkelijk je geloofsstrijd onnodig verzwaren.

In het geval van Hanna was het valselijk beschuldigd te worden van dronkenschap extra pijnlijk daar ze al zoveel verdrukking te verduren had gehad.

Gelukkig voor Hanna kon ze de emotionele veerkracht opbrengen om het ernstige misverstand op te helderen door te verklaren: “1k ben een vrouw met een zwaar bedrukte geest; … want uit de overvloed van mijn bezorgdheid en mijn kommer heb ik tot nu toe gesproken.” (vs. 15, 16). Eli, zag na deze openhartige verklaring in, dat hij onjuiste conclusies had getrokken. Hij was echter zo vriendelijk om de wens uit te spreken dat Jehovah Hanna’s bede zou verhoren.

-3

Samenvattend kunnen we vaststellen dat het relaas van Hanna laat zien dat dit een uiterst zware, emotionele en tevens geloofsbeproevende periode in haar leven moet zijn geweest. Dit relaas toont tevens aan dat alle vormen van verdrukking die zij kreeg te verduren juist uit de eigen gelederen ( gezin, medeaanbidders ) voortkwam, en niet van de goddeloze wereld om haar heen.

Voor ons in deze tijd is het van bet grootste belang te weten op welke wijze Hanna instaat was bet hoofd te bieden aan haar uitzichtloze situatie. Wat deed Hanna juist op het moment dat het water aan de lippen stond, toen haar man Elkana verzuimde om de noodzakelijke empathie te betonen en haar gevoelens een emotioneel dieptepunt bereikten?

Het verslag zegt in vers 10: “...zij ging tot Jehovah bidden...” Hanna stortte haar hart uit voor het aangezicht van Jehovah en deed een gelofte wanneer Hij aandacht had voor haar ellende. Hanna deed datgene waarover David ongeveer een eeuw later schreef : “Werp uw last op Jehovah, en hijzelf zal u schragen. Nooit zal hij toelaten dat de rechtvaardige wankelt.” (Psalm 55: 22)

Bracht dit bidden tot God, ja haar volledige last op Jehovah’s ‘schouders’ leggen, werkelijk verlichting in haar situatie? Jazeker, zowel op de korte als de lange termijn.

Ten aanzien van de korte termijn, het onmiddellijke resultaat zegt bet verslag: “ Toen ging de vrouw [Hanna] heen en at, en haar gezicht toonde geen bezorgdheid meer om haar eigen situatie”. (1 Sa. 1: 18 ) Hanna kon weer eten en haar gezicht klaarde weer op; zij had haar last afgelegd bij Jehovah en heeft het ook bij Hem gelaten. Er was werkelijk een zwaar drukkende last van haar afgevallen.

Op de wat langere termijn werd haar bezorgdheid van haar kinderloosheid wegnomen, daar zij het leven schonk aan Samuël. Hiermede kwam een einde aan de schande van onvruchtbaar zijn en het jarenlange getreiter van de zijde van Peninna. Ja, door volledig op Jehovah te blijven vertrouwen, alle bezorgdheden in Zijn handen te leggen, kon Hanna terecht in haar dankgebed zeggen; “ Mijn mond heeft zich wijd opengedaan tegen mijn vijanden. Want ik verheug mij werkelijk in de redding van u.” (1 Sa. 2: 1)

Wij kunnen dankbaar zijn dat Jehovah dit verslag van Hanna heeft laten opnemen in de Heilige Schrift. Moge dit relaas van Hanna ons helpen eveneens onder hedendaagse beproevingsvolle omstandigheden Jehovah getrouw te blijven, en naar Hem te blijven opzien voor redding.